Reizen: Weather Permitting week 6

Ik zag wat mensen van de boot afkomen, ze hadden boodschappen gedaan op het vaste land. Blacky, de bootmeneer van Caldey keek me nors aan. Net zoals hij iedereen nors aan keek. Paul, die ik hier ont- moette, vertelde me later dat hij een jaar lang geen woord tegen hem heeft gezegd. Hij moet altijd even wennen aan nieuwe mensen. Hij woont hier al zijn hele leven. Hij moest met Paul samen een graf graven, en noemde hem toen constant ‘Captain’. Of ‘Cap’, dat zegt hij tegen iedereen waar hij wat afstand van wilt houden. Pas na die tijd is hij gaan praten, en nu zijn ze goede vrienden.

SONY DSC

SONY DSC

SONY DSC

Ik liep weer terug naar huis. Zag een fazant. En een kat die heel ziek leek. Ik liet hem maar met rust. Ik had nog 3 kwartier om wat te eten en uit te rusten voordat Titus me weer op zou komen halen voor een tweede wandeling. Mijn vermoeidheid negerend, en nieuwsgierig naar de andere kant van het eiland, besloot ik gewoon mee te gaan. Hij had een stel rubber laarzen voor me. Ideaal. We liepen nu weer het pad op richting de vuurtoren, maar sloegen bijna bovenaan rechtsaf. We liepen langs the old Priory, een oude boerderij wat niet veel meer was dan een stapel stenen. Daarna moesten we weer een pittig stuk lopen naar de andere kant van het eiland. Het was gelukkig minder stijl, maar desalniettemin vrij zwaar doordat je voeten diep wegzakten in het gras. We zagen nog meer regenbogen en een enorme stortbui boven Tenby.

Aangekomen bij Sandtop bij, het favoriete strand van Titus, keek ik mijn ogen uit. De kleuren van de onder- gaande zon, de stenen. Wauw. Hij vertelde me dat de ene helft van het eiland limestone was, en de andere redstone. Je kan het zien aan de strepen. Vroeger waren de rotsen allebei vol met horizontale strepen maar toen 40 miljoen jaar geleden het rode plateau kantelde, zijn de strepen in de rode rotsen nu verticaal. Het is een prachtig gezicht. Doordat de twee plateaus tegen elkaar kwamen, ontstond er in het midden een druk, en dat is de reden waarom het eiland een eigen watervoorziening heeft: het water komt via de grond omhoog.

SONY DSC

SONY DSC

SONY DSC

De storm had 5 meter zand weggeslagen en daarom konden we niet via de normale manier afdalen naar benden. We moesten zigzaggend naar beneden en de laatste meter springen. Het was nog best eng, met mijn statief en camera mijn evenwicht te bewaren. Titus liep er alsof hij nooit anders deed. Wat natuurlijk ook het geval is. Hij loopt daar dagelijks. Hij maakt eerst een heel rondje over het strand om te kijken of er geen lijken liggen. Hij heeft al twee keer een aangespoeld lijk gevonden. En kadavers van koeien en schapen. Hij praat erover alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Hij belde 911, en daarna gingen ze bidden en de volgende dag was er een mis voor de overleden persoon. That’s it. Het leven gaat door.

Het aangespoelde plastic voelde gek. Dan zit je hier, afgesloten van ‘de wereld’ zoals Titus het leven buiten het eiland noemt, maar je ontkomt niet aan de zooi van de mens. Het deed me zeer om zoveel troep te zien op het strand. De golven deden hun best, de zon strooide met mooie kleuren en Titus zei, dat hij hier genoeg aan had. Sommigen vinden zijn leven misschien saai. En het is inderdaad sober, maar hij heeft genoeg aan een boek, het licht, de natuur, de vogels, de maan, de community en het gebed.

We keerden weer om terwijl twee raven luid roepend boven ons vlogen, alsof ze ons terug naar binnen wilden jagen voordat het te donker werd. Net voor de grote duisternis kwamen we terug thuis. We liepen nog even langs de kat, en wat bleek? Ze was hoogzwanger en lag waarschijnlijk te bevallen. Zwanger van de ene andere kat op het eiland, dat kan niet anders. Er zijn er maar twee. Daarna pakte ik mijn laptop en liep ik door naar het huis bovenop. Paul was me op komen zoeken in mijn cottage, om me uit te nodigen voor die avond. Ik liep het hele bospad af. Alles in mijn lijf deed zeer. Ik was blij dat ik een zaklamp had meegenomen, want het werd al flink donker en het had het gevoel dat er achter elke boom een vampier of weerwolf vandaan kon komen. Ik klom omhoog, en toen ik aanklopte moeten ze gek op gekeken hebben. Een knalrood meisje, meisje met een enorme tas en blubber laarzen.

SONY DSC

SONY DSC

Ik kreeg wat drinken aangeboden. Zijn vrouw was in Bristol, maar Simon, een van de andere eilandbewoners was er ook. Bijna iedereen die hier woont, werkt ook op het eiland of voor het eiland, anders kun je er niet wonen. Je kan ook niks kopen, want alles is eigendom van de monniken.

Uiteindelijk ging ik naar huis, Simon bracht me. We hobbelden door het donker door het bos. Simon werd helemaal lyrisch van de maan, en even was ik bang dat er een weerwolf naast me in de auto zat. Zo hob- belend door een donker bos, voel je je wel kwetsbaar. Je bent alleen, je kent hier niemand, je weet niet wat er kan gebeuren. Maar juist doordat het een eiland is en doordat je niet weg kan, voel je je ook weer veilig. Alsof de beperking je veiligheid biedt. Simon vertelde me dat er een social club was op het eiland, op vrijdagavond. EEN SOCIAL CLUB. Je moet 1 pond betalen voor een jaar lidmaatschap. Er is een pooltafel en een niet werkende jukebox. Er zijn op dit moment heel weinig mensen op het eiland, maar hij nodigde me uit om toch te komen.

 

De volgende ochtend wandelde ik naar het verboden bos. Er stond een Maria beeld vol met bloemen. Er vloog een fazant op, ik schrok. Er hangt een gek sfeertje in het verboden bos. Het voelt Harry Potterish. Ik liep door naar Bullum en sloop voorbij het huisje van bro- ther Paul, met mijn vingers gekruist dat hij me niet op zou merken. Beneden bij de zee maakte ik weer foto’s. Het was weer ijskoud. Maar het was ook mooi om te doen, in de wetenschap dat toch niemand je kan zien, dat je echt helemaal alleen bent, dat je kunt doen wat je maar wilt. Ik liep terug naar boven en voelde mijn lijf zeuren. Elke stap die ik zette werd zwaarder en zwaarder. Ik sjokte terug. Mijn lijf voelde op.  Over mijn grenzen heen gegaan gisteren. Verdomme. Thuis aangekomen klom ik met moeite de trap op. En plofte in bed, en ben er niet meer uit geweest vandaag tot de volgende dag 12 uur.

SONY DSC

SONY DSC

SONY DSC

SONY DSC

SONY DSC

 

Na 12 uur slaap werd ik de volgende dag onrustig wakker. Toen ik op mijn telefoon keek had ik een sms. Van Titus. Of ik mee naar de zonsopgang ging kijken, het was prachtig weer, en hij zou met de auto naar de vuurtoren rijden. Ik zei sorry tegen mijn lijf, en binnen 10 minuten was ik aangekleed. Hij moest lachen toen ik slaperig aan de deur verscheen. ‘De zon wacht niet!’ zei hij.

Ik sprong in de auto, en daar gingen we. We liepen langs de vuurtoren. Ik zette mijn statief neer en Titus ging helemaal naar beneden om vanaf het strand te kijken. Wat een energie heeft die man. Ik voelde mijn spieren al weer pijn doen van de wandeling de ochtend ervoor. Het was prachtig. Alles was zo stil. En de zon kwam zo mooi op. Volgens mij was het de eerste keer in mijn leven dat ik de zonsopgang zag. Je voelt je zo alleen. En nietig. Zo klein.

 

SONY DSC

SONY DSC

SONY DSC

Titus moest naar de kerk en ik besloot, nu ik er toch was, door te lopen naar Red quarry bay, een punt van het eiland waar ik nog niet geweest was. Het was doodstil. Het is gek om zo alleen te lopen, in de wetenschap dat de kans dat je iemand tegen komt echt minuscuul is. Er zijn zo weinig eilanders aanwezig op dit moment, en er zijn er maar weinig die rond dit achterlijk vroege tijdstip al op pad zijn. De zon kuste het gras. Het lichtte bijna goud op.

SONY DSC

SONY DSC

Angela neemt me later die dag mee naar Rita, het vrouwtje van 84 dat hier als een na langste woont. Het is een klein, slim,  vrouwtje dat de pauwen voert en zorgt voor het water. Iedereen heeft hier zijn eigen taak op het eiland. Het is voor mij wel weer een vorm van isolement natuurlijk, het niet behoren tot een vaste kliek hier op het eiland. Ze duwen me niet van zich af, en nodigen me wel degelijk uit, maar ik denk aan de woorden van Satch: dat hij na 7 jaar nog steeds geen echte eilander is, en de woorden van Paul: dat hij na 18 maanden het eiland denkt te kennen maar eigenlijk nog steeds niet écht kent.

SONY DSC

 

Het was heel fijn om met Angela te praten. Ze vertelde over hoe ze hier op het eiland terecht is gekomen. Dat ze als klein kindje al met een van de monniken aan het praten was. Het was toentertijd een van de weinige monniken die hier echt wilde praten met iemand. Hij zat altijd buiten en kletste met alle toeris- ten. Als ze hier kwam als klein meisje lieten haar ouders haar achter bij de monnik, terwijl ze gingen wan- delen. Ze vertelde hem dat ze hier later wilde werken. Hij zei, dat ze als ze ouder was, ze dat nog maar eens moest komen vertellen. Ze heeft 5 jaar op een wachtlijst gestaan, en nu eindelijk woont ze er sinds een jaar. Ze gaat het Philiomea guesthouse runnen. Ze wilden niet eerder hier heen gaan omdat ze vond dat het niet goed was voor haar zoon om op 20 jarige leeftijd al zo geïsoleerd te wonen. Maar de jongen vind het hier heerlijk, hij kookt voor de monniken in het klooster.

Thuisgekomen raap ik wat moed bij elkaar en ga ik naar de social club waar Satch en Sue met hun kinderen zijn. Ze hebben twee heerlijke honden en zijn aan het biljarten. Satch, de man die maar niet op de foto wil, krijg ik aan de praat. Ik voel me welkom. Het is best gezellig zelfs. Ze komen met allerlei boeken aan van Caldey, waar ik echt heel erg blij mee ben.

SONY DSC

SONY DSC

 

Simon kwam ook nog even kijken. Satch vertelde me hoe hij eigenlijk per ongeluk op het eiland is beland. In een soort van een midlifecrisis hebben ze een tijdje het gastenhuis gerund, toen bleek dat hij ook nog al- lerlei andere klusjes kon, werd hij uiteindelijk gevraagd om er te blijven wonen en de hele bedrading van de abdij opnieuw aan te leggen. En de douches in het gastenhuis te vervangen. Nu werkt hij dus min of meer voor zichzelf, voor het eiland. Zelfs Sue leek een beetje te ontdooien, en toen ik een foto mocht maken van Satch viel iedereen van zijn stoel van verbazing.

Toen ik naar afloop voor mijn 2 wijntjes wilde betalen kreeg ik ze van hen. ‘Welcome to Caldey Island, dear’.

Mijn laatste hele dag op het eiland. Vanochtend om half 9 stond Satch op de stoep om me mee te nemen naar Nanna’s Cave. Satch is fantastisch. Het is een enorme man die vaag iets weg heeft van een walrus. Toen ik hem voor het eerst ontmoette maakte ik een foto van hem. Hij dook weg. Toen ik vroeg hem te portretteren zei hij dat hij nooit op de foto ging. Nooit. Hij was stug. Brother Titus vertelde me dat Satch en Sue nogal op zichzelf waren. Ongelooflijk hoe het is gelopen. Hoe ik nogmaals naar hem toe ging, en hoe hij langzaam ontdooide. Gisterenavond zat ik ineens in de social club wijntjes met ze te drinken, en vandaag nam hij me dus mee.

 

SONY DSC

We gingen eerst naar Nana’s cave. Waarom het zo heet, weet niemand, dat is een van de geheimen die het eiland voor zichzelf heeft gehouden. Hij had touw meegenomen, want het is er behoorlijk stijl, en met de vele regen vertrouwde hij het niet. Hij sloeg een paal in de grond, maakte een padvinders knoop, en zo gin- gen we om de beurt aan het touw naar beneden. Beneden was de grot. Een inham, waar een Maria beeldje stond. Satch begon te vertellen over zijn leven vroeger. Hoe hij auto’s in elkaar zette. We hadden het over de druk van de maatschappij en de hokjes waarin we werden gestopt. Vroeger ging hij veel om met de hells angels, maar hij is nooit een van hen geworden. Het gekke is, hij ging ook om met andere motorclubs, en dat ging prima. Als hij een Hells Angels batch had gehad, had dat niet gekund. Hij verwonderde zich er enorm om. Hij heeft ook in Florida gewerkt. Hij vond het er verschrikkelijk. De discriminatie naar zwarte mensen. Hoe ze werden uitgescholden. En als je niet uitkeek had je zo een mes tussen je ribben. Maar omdat hij omging met een van de zware mannen, was hij veilig. Hij verbaasde zich er nog steeds over. Ook heeft hij nog in de Formule 1 gewerkt. Zelf heeft hij een aantal ongelukken gehad met zijn motor. Daardoor heeft hij een gat in zijn hoofd, letterlijk. Een deuk. Hij vertelde zoveel verhalen. Daarna bracht hij me naar de garages, waar brother Paul naartoe zou komen.

SONY DSC

SONY DSC

SONY DSC

 

Hij was net zo erg als iedereen vertelde dat hij was. Hij kwam aangelopen. Stampvoetend. Boos. Hij
had hier geen zin in. ‘FIRST QUESTION! Who are you, and WHAT THE HELL DO YOU WANT FROM ME?’
Ik schrok me rot, maar herstelde me snel. Ik glimlachte en vertelde dat ik gewoon een studente was. Hij keek me met priemende ogen aan en probeerde uit te vinden of ik niet stiekem van de politie was, of un- dercover. Toen ik vroeg of ik mijn camera mocht halen, zuchtte hij en gromde hij. Toen Satch ons met een knipoog naar mij toe alleen liet, begon Paul te vertellen. Hij heeft zijn hele huis zelf gebouwd, van de zooi die hij heeft gevonden op het eiland. En het is nog steviger dan alle andere huizen zegt hij. In Amerika heeft hij namelijk geleerd hoe je huizen moet bouwen die een orkaan aankunnen. Hij haalt zijn elektrici- teit uit een oude generator, en vangt regenwater op om te drinken. Zijn eten vindt hij in de zee, zegt hij.

SONY DSC

Hij praatte over wat internet met ons doet, en hoe het ons afleid van de dingen die echt gebeuren. De government, en de big money, achter de government die allerlei dingen regelen. En dat al het geld gaat naar ruimtereizen en dergelijken, terwijl ze heel Afrika daar van kunnen voeden. En toen ik begon over chips onder je huid als paspoort, moest hij lachen, want 20 jaar geleden waren ze daar al mee bezig. Het is alsof we leven in The Matrix. Een 77 jarige man, die alles weet over conspiracy theorieën, en niet het internet heeft om er toe te beschikken.

De volgende ochtend om half 7 pakte ik de bus naar Bristol, een stuk beter dan de trein. Het avontuur was voorbij.

SONY DSC

SONY DSC

SONY DSC

Plaats een reactie